Informatie

Resistentie terminologie

 

Definities

Hieronder vindt u de definities van de begrippen die de reactie beschrijven van planten op plagen of ziektekiemen en abiotische stressfactoren voor de groentezadensector (gebaseerd op een door de ISF goedgekeurde versie, mei 2017).  

1. Inleiding

De relatie tussen een plant en een plaag of ziektekiem is zeer complex. De begrippen die de reactie beschrijven van een plantenras op een plaag of ziektekiem, worden bepaald aan de hand van tests met bekende en gekarakteriseerde biotypen, pathotypen, rassen of stammen van de plaag of ziektekiem in kwestie. In de praktijk echter hangt het vermogen van een plaag of ziektekiem om bij een plant een ziekte of schade te veroorzaken, nauw samen met omgevingscondities, de eigenschappen van het organisme zelf en het vermogen van de plant om zich te verdedigen.

Plantenrassen binnen een soort kunnen verschillen qua vermogen om zich te verdedigen. Onder verschillende omstandigheden, zoals leeftijd van de plant, plaag- of ziektedruk en virulentiegraad of nadelige omgevingscondities, kan de wisselwerking tussen dezelfde plantenrassen en plaag of ziektekiem andere gevolgen hebben. Plagen en ziektekiemen staan erom bekend dat ze zich ontwikkelen en nieuwe biotypen, pathotypen, rassen of stammen vormen die ziekten bij of schade aan planten kunnen veroorzaken die niet worden aangetast door de oorspronkelijke vorm van de plaag of ziektekiem.

2. Definities 

Immuniteit: niet gevoelig voor aanval of infectie door een gespecificeerde plaag of ziektekiem.

Resistentie: het vermogen van een plantenras om de groei en ontwikkeling van een gespecificeerde plaag of ziektekiem en/of de schade die deze veroorzaakt te beperken vergeleken met vatbare plantenrassen onder vergelijkbare omgevingscondities en plaag- of ziektedruk. Onder zeer hoge plaag- of ziektedruk kunnen resistente rassen enkele ziektesymptomen of enige vorm van schade vertonen. 

Er zijn twee resistentieniveaus:  

  • Hoge resistentie (HR): plantenrassen die de groei en ontwikkeling van de gespecificeerde plaag of ziektekiem onder normale plaag- of ziektedruk in hoge mate beperken vergeleken met vatbare rassen. Onder zeer hoge plaag- of ziektedruk kunnen deze plantenrassen echter enkele ziektesymptomen of enige vorm van schade vertonen. 
  • Intermediaire resistentie (IR): plantenrassen die de groei en ontwikkeling van de gespecificeerde plaag of ziektekiem beperken, maar meer symptomen of schade vertonen ten opzichte van rassen met hoge resistentie. Plantenrassen met intermediaire resistentie vertonen minder ernstige symptomen of schade dan vatbare plantenrassen wanneer ze onder vergelijkbare omgevingscondities en/of plaag- of ziektedruk worden geteeld. 

Vatbaarheid: het onvermogen van een plantenras om de groei en ontwikkeling van een gespecificeerde plaag of ziektekiem te beperken.

Tolerantie: het vermogen van een plantenras om abiotische stressfactoren te verdragen zonder ernstige gevolgen voor groei, uiterlijk en oogst. Groentebedrijven blijven tolerantie gebruiken voor abiotische stressfactoren. 

3. Codering

Resistenties in de rassen van onze gewassen worden gecodeerd (zie onze coderingslijst voor uitleg), tenzij anders aangegeven. Om de codes van plaagorganismen, soorten en stammen te onderscheiden, worden de volgende scheidingstekens gebruikt:

  • Als een ras resistent is tegen meer dan een ziektekiem, worden de afzonderlijke resistentiecodes gescheiden door het symbool “/ ” (schuine streep). 
  • Soortcodes worden van de stamcode(s) gescheiden door het symbool “:” (dubbele punt). 
  • Stamcodes worden gescheiden door het symbool “,” (komma). 
  • Als er meer dan twee stamcodes in een logische volgorde zijn, zal de notatie worden afgekort als van-naar door het symbool “-” (koppelteken/minteken). 

Rassen die hetzelfde resistentieniveau claimen tegen een specifieke plaag of ziektekiem, kunnen een andere resistentierespons laten zien vanwege de verschillende genetische opmaak van rassen.
Hierbij dient te worden aangemerkt dat als een resistentie in een plantenras wordt geclaimd, deze beperkt blijft tot de gespecificeerde biotypen, pathotypen, rassen of stammen van de plaag of ziektekiem.

Als er geen biotypen, pathotypen, rassen of stammen zijn gespecificeerd in de resistentieclaim voor het ras, dan is dat omdat er geen algemeen aanvaarde indeling van biotypen, pathotypen, rassen of stammen van de betreffende plaag bestaat. In dat geval wordt resistentie alleen geclaimd tegen bepaalde en niet nader gespecificeerde isolaten van die ziektekiem. Er kunnen zich nieuwe biotypen, pathotypen, rassen of stammen ontwikkelen. In dat geval worden ze niet gedekt door de oorspronkelijke resistentieclaim.